Het testament

 

Op een maandag zou de notaris er zijn. Mijn vader had het hele weekend zijn handtekening geoefend met een gel-pen. Maar de notaris kwam niet. Wij waren er wel. Mijn moeder, mijn broer, de accountant en ik. We hadden vier stoelen naast het bed van mijn vader gezet en de kleine tafel in het midden.

Het testament werd zorgvuldig besproken. Papieren gingen rond met cijfers, woorden en nog meer cijfers. Alles bij elkaar een constructie die zou worden omgebogen in een andere constructie. Mijn vader kon zijn gezicht niet goed naar ons toe wenden. Hij staarde naar het voeteneinde van zijn bed. Soms knikte hij. Of hij draaide zijn ogen een beetje naar rechts zodat hij ons toch nog kon zien. Hij sprak heel zacht, want ook zijn stem was krachteloos geworden.

Het testament werd door iedereen aanvaard. Maar alleen met de notaris erbij zou het ook rechtsgeldig zijn. Misschién volgende week, zei de accountant. Wij knikten. Alhoewel. Mijn vader kon niet aan het oefenen blijven. Op een dag zou de pen willoos uit zijn vingers glijden, op een dag, wij wisten niet wanneer, zou hij er te zwak voor zijn. Mijn vader knikte ook. Ja, misschien volgende week.

Kort daarna viel hij in slaap. Deze weken sliep hij meer dan dat hij wakker was. Soms vocht hij tegen zijn slaap om wat met ons te praten. Of louter om te weten dat wij er nog waren.

Na afloop rijd ik met niemand mee, ik wil lopen. Ik ga over de eindeloze polderweg naar Stolwijk-dorp. De wilgen zijn kaal, sommige zelfs al geknot. Er ligt niet zoveel kroos meer op de sloten, zo nu en dan scheert er een vis weg onder het wateroppervlak. De zilvergrijze reiger, hoe vaak heb ik hem al niet ontmoet, houdt het groenbruine water scherp in de gaten. Aan de overkant loopt een man met een lange stok. Hij is de rattenvanger. Muskusratten. Net mollen. Met een velletje van bont.

Thuis vind ik nog een paar foto’s van mijn vader op de zaak. Op een van deze foto’s staat hij in het magazijn. Achter hem zie je de schappen met de molens, de borden en de vazen. Ze zijn in vloeipapier gewikkeld of gestapeld in doorzichtige, plastic kokers. De hoge kandelaars en de bierpullen zijn niet ingepakt. In een blauwwitte slagorde vullen zij het bovenste schap. Een aantal kartonnen dozen staat op de grond. Zij zijn gevuld met Delfts blauw en dichtgeplakt met een stevig, donkerbruin tape. Klaar om verscheept te worden. Mijn vader buigt zich over de brede inpaktafel. Hij kijkt niet naar de lens, nee hij schrijft iets op. Ik nam de foto.

In die jaren stond de fabriek nog op de Singel. Mijn vader is binnen de singels geboren. Je bent een echte Gouwenaar, zei ik hem weleens. Maar ik realiseerde me dat dat eigenlijk onzin was. Bijna wekelijks kwam hij in Duitsland. Bremen, Frankfurt, Ludwigshafen. Klanten, beurzen, winkels. Kende je dan echt overal de weg? Die kende hij. In Oostende stond zijn tweede huis. En na zijn pensioen wilde hij in Zuid-Frankrijk wonen. Maar hij raakte niet gepensioneerd. Hij bleef werken. Hij vulde ovens, noteerde orders. Bekeek de jaarcijfers en maakte schattingen. Eén keer per week laadde hij zijn auto vol. Hij lachte, hij zwaaide. En weg was hij. Voor een reis van een of twee dagen.