Titelverhaal ‘De neef van Delvaux’

 

Paul Delvaux, ‘Robe de mariée’

We hebben de neef van Delvaux bezocht. Het is inmiddels lang geleden, meer dan dertig jaar, maar we hebben hem bezocht. Hij grossierde in souvenirs aan de Belgische kust. Van mijn vader, die destijds een huis in Oostende bezat, kocht hij Delfts blauwe klompen. Daar stopte hij bonbons in en die werden dan verpakt in cellofoon. Een goede vondst, zei mijn vader tevreden.
We hebben veel uitnodigingen gehad voordat we de neef daadwerkelijk bezochten. Ik was nog een kind. De naam Delvaux zei mij niets. ‘Treinen,’ zei mijn vader, ‘Maurice heeft een oom en die schildert voornamelijk treinen.’

We reden naar Sint-Idesbald. Het was op een zondagmiddag.

Ik kan me niet herinneren waar de villa zich precies bevond, hoe zij er aan de buitenkant uitzag en of er bijvoorbeeld ook een tuin was. Ik weet niet meer over welk pad wij gelopen zijn om er te komen en of het huis aan zee lag. In ieder geval liet Céline ons binnen, de eeuwig jonge en tengere Francaise Céline. Er was het gebruikelijke rumoer rond het begroetingsritueel. Het regende Franse woorden, de neef kwam ons tegemoet, er werd gezoend en ‘kom verder’ gebaard. Maurice maakte grapjes, mijn vader hield de deur voor mij open. Céline stond al bij de glazen.

De kamer was hoog, veel hoger dan ik verwacht had. Het puntdak was van binnenuit zichtbaar en werd gesteund door zware houten balken. De schilderijen sprongen het eerst in het oog, het waren grote doeken. Ik hield mijn adem in. Treinen en naakte vrouwen. Vrouwen zo blank en onbeweeglijk als marmer, met strakke gezichten tegen een nachtblauwe achtergrond. Céline gooide ijsblokjes in de glazen. Het getinkel van het ijs in het glas paste wonderwel bij de bevroren schonen aan de wand. ‘Voilá,’deed de neef en hij maakte een achteloos, tegelijkertijd allesomvattend handgebaar naar de schilderijen.

Céline dronk toen al veel.

‘Waarom alleen maar treinen?’ heb ik gevraagd. Maurice moest lachen, op dat moment ging de bel, er kwamen nog meer mensen binnen. Het leek mij dat de Fransen misschien niet rumoeriger waren dan ik gewend was maar dat hun woorden veel meer, en vooral in alle toonaarden, ruimte innamen. De gasten stelden zich voor. Er was een arts met zijn vrouw en een zoon van Maurice uit zijn eerste huwelijk. Céline holde naar de glazen, geen mens keek naar de schilderijen, de ijzig naakte vrouwen bleven onbeweeglijk en dat terwijl het hier steeds drukker werd. De gasten liepen al pratend en gebarend in het rond. De arts en zijn vrouw spraken Vlaams maar daar werd Céline ongelukkig van. Céline rende heen en weer met schaaltjes noten en olijven. Het viel me op dat ze ongelofelijk lenig was en niks had van de blanke schonen, van de melk-met-honing-en-lelieblanke lijven die ik op de schilderijen zag. Céline had geen tijd om zo stil en waardig te zijn.

Maurice vroeg of de kleine zich vermaakte, ik zei jawel. Hij wilde weten wat ik van de schilderijen vond, ik dacht diep na voordat ik antwoord gaf, ondertussen was de neef alweer verdwenen. Misschien had ik iets over die vrouwen moeten vragen, maar wat? Over de treinen schoot mij sowieso niets te binnen.

Het gezelschap sprak nu over de keuze van een restaurant. De vrouw van de arts tikte tegen haar glas, verschillende keukens werden gewikt, gewogen, besproken.